Wageningen op de stoel van Europa
Op 15 februari werd er in Wageningen levendig gediscussieerd over zaken zoals voedselveiligheid en landbouwbeleid.
Het Europese landbouwbeleid zorgt ervoor dat er voldoende voedsel wordt verbouwd en het Europese culturele erfgoed, het platteland, goed wordt onderhouden. Europese consumenten besteden ongeveer 13% van hun gezinsinkomen aan voedsel. Het gemiddelde boereninkomen is maar 60% van dat in andere economische sectoren. Jaarlijks houdt gemiddeld 5% van de boeren ermee op. Wijnplassen en boterbergen zijn verdwenen, maar nieuwe uitdagingen staan voor de deur. Het huidige beleid ligt vast tot 2013, maar wat doen we daarna?
De sprekers waren:
- Debatleider: Philip Walkate (cabaretier)
- Inleiders: Geert van Rumund (Burgemeester van Wageningen) | Herman Versteijlen (Directeur van de directie Landbouwmarkten van de Europese Commissie) | Roald Lapperre (Directeur Europees Landbouwbeleid van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit)
- Europarlementariërs: Judith Merkies (PvdA)| Gerben-Jan Gerbrandy (D66)
- Panelleden: Philip den Ouden (Directeur van de Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie) Professor Ruud Huirne - Wageningen UR (University & Research Centre) | Siem-Jan Schenk (LTO Nederland) | Henny Roelofsen (akkerbouwer) | Geert Bergman (melkveehouder)
Geert van Rumund opende het debat door te schetsen hoe 'zijn' Wageningen als samenwerkingspartner en middelpunt van mondiale landbouwexpertise verbonden is met de wereld van kennis en onderwijs, gebiedsontwikkeling en ondernemerschap.
Vervolgens telde Versteijlen de zegeningen van het huidige Europese landbouwbeleid. Hij waarschuwt voor de gevolgen van het rücksichtslos beëindigen van landbouwsubsidies. Niet alleen zakken dan veel boeren door hun hoeven, ook de culturele waarde van het landschap zal daar onder lijden.
Daarna was de arena aan de Europarlementariërs die op het scherpst van de snede in debat traden met agrariërs, levensmiddelenproducenten, landbouwdeskundigen, topambtenaren en wetenschappers.
Stelling: Schaalvergroting van boerenbedrijven vormen een gevaar voor de volksgezondheid.
Die stelling is niet eenvoudig, zegt Merkies. Er spelen meer factoren bij schaalvergroting, zoals dierenwelzijn, milieu, emissie en klimaat. Terwijl we tegelijkertijd ook miljoenen Europese monden moeten voeden en ook een verantwoordelijkheid dragen voor acute voedselproblemen elders in de wereld. Markies wil in elk geval geen grootschalige 'Amerikaanse toestanden' en massaconsumptie van vlees. De overheid moet blijven toezien op voedselveiligheid.
Den Ouden stelt dat schaalvergroting op zichzelf niet het probleem vormt, maar de manier waarop je het inbedt in de samenleving. Schaalvergroting gaat niet om 'meer', maar om 'beter'. Tot nog toe heeft schaalvergroting alleen maar tot veiliger producten geleid. De levensmiddelenindustrie neemt daarin zijn verantwoordelijkheid. Producten worden steeds gezonder met minder suiker, zout en vet, en de industrie geeft zelf goede voorlichting. Dat moet ook wel, want consumenten worden steeds bewuster en veeleisender.
Gerbrandy voegt eraan toe dat de huidige liberalisering van de wereldmarkt onherroepelijk schaalvergroting met zich meebrengt. We hebben feitelijk geen keuze. Bergman waarschuwt dat hierdoor driekwart van de boerenbedrijven zullen verdwijnen. Het agrarisch landschap zal veranderen, het platteland zal verder verschralen.
Stelling: Het landbouwbeleid moet weer nationaal bepaald worden
Volgens Gerbrandy is dat niet realistisch. De agrarische markt is een internationale markt, er gelden EU-afspraken waar we mee te maken hebben. Die markt liberaliseert, maar daar moeten we niet bang voor zijn. Nederland heeft een sterke concurrentiepositie als het gaat om kapitaal, innovatie en duurzaamheid. Daar ligt de sleutel. We moeten als Nederland voorsorteren op een toekomst waarin in 2050 9 miljard wereldburgers zijn die de helft meer eten dan nu. Prijsstijgingen zijn onvermijdelijk.
Bergman zegt dat boeren veel te veel afhankelijk zijn van Brussel voor hun inkomen. We zitten echt op het geld te wachten om bedrijfseconomisch rond te komen. Zo kun je natuurlijk niets van de markt maken, laat staan concurreren op de wereldmarkt.
Een spreker uit de zaal vindt dat de supermarkten te veel het aanbod domineren. Die bieden goedkope en kwalitatief slechte producten uit het buitenland. Daar moet de overheid een stokje voor steken en meer voorlichting geven aan consumenten.
Huirne vindt dat agrariërs en de industrie beter moeten luisteren naar de maatschappelijke eisen van consumenten. Veel meer oog voor klimaat en milieu, smaakvollere producten en meer variatie. Dan komt het met de prijs ook wel goed.
Stelling: Landbouwbeleid moet plaats maken voor plattelandsbeleid
Welke gek heeft dat bedacht? Oordeelt Schenk. Beide horen bij elkaar en horen in goede balans te zijn. Schenk vindt dat natuurbeheer in goede handen is bij boeren, die kunnen het goed en goedkoop. Schenk waarschuwt dat de maatschappelijke wensen voor duurzaamheid en veiligheid niet vanzelf door de markt worden opgelost. Daar is EU-regelgeving voor nodig.
Gerbrandy is kritisch daarover. Landbouwers zijn echt niet de enige beschermers van het platteland.
Lapperre stelt dat we in Europa het landbouwbeleid wel moeten vernieuwen, maar dat liberalisering niet per se de oplossing biedt. Van oudsher bemoeit Europa zich met landbouw. Dat was na de Tweede Wereldoorlog nodig om 'nooit meer een hongerwinter' te krijgen. De jaren die daarop volgden, leken echter wel op een soort steunrace: welk land weet de meeste subsidie binnen te halen? Frankrijk was vaak de koploper. Maar die race zorgde voor een intern verdeelde markt en oneerlijke concurrentieposities. De uitdagingen van vandaag liggen vooral op het terrein van duurzaamheid en kwaliteit. Nederland heeft daarin een sterke positie. Tegelijkertijd moet er ook een maatschappelijke waardering zijn voor boeren die in moeilijke gebieden werken, zoals in Broek-in-Waterland of in de Alpen. En moeten boeren beloond worden voor maatschappelijke prestaties op het gebied van dierenwelzijn en natuurbeheer. Het besluitvormingsproces daarover in Europa is complex, maar voor het eerst in de geschiedenis mag het EP daarover meebeslissen.
Henny Roelofsen is voor een dag Europarlementariër
Het nieuwe Europese landbouwbeleid na 2013 moet volgens Roelofsen, in zijn 'nieuwe' rol als MEP'er, in de eerste plaats gericht zijn op voedselzekerheid voor de eigen bevolking. Boeren moeten kunnen blijven rekenen op financiële steun, om onzekerheden over prijzen, overschotten en tekorten op te kunnen vangen. Schaalvergroting is daardoor niet nodig, want die leiden weliswaar tot hogere marges, maar brengen ook ongewenste prijsfluctuaties teweeg. Europa moet niet afhankelijk zijn van de wereldmarkt.
Huirne ziet niets in de 'plannen' van Roelofsen. Daarmee houden we alleen maar inefficiënte bedrijven in stand. Huirne vindt dat de sector veel meer moet doen om de consumentenmarkt beter te begrijpen. Ze produceren maar in de veronderstelling dat het dan wel geconsumeerd wordt. We moeten de 'tuin van bulk' uit zien te komen, waarin massaproductie de prijs bepaalt. Die toekomst kunnen we uiteindelijk bereiken zonder overheidssteun aan boeren. Boeren moeten weer echt kunnen ondernemen.












