Medebeslissingsprocedure

De medebeslissingsprocedure is een van de belangrijkste procedures waardoor Europese wetgeving een gezamenlijke aangelegenheid van het Europees Parlement en de Raad wordt. De medebeslissingsprocedure werd in 1993 bij het Verdrag van Maastricht ingevoerd.

Hoe werkt de medebeslissingsprocedure?

De medebeslissingsprocedure is momenteel een van de belangrijkste wetgevingsprocedures in de EU. Deze procedure werd bij het Verdrag van Maastricht in 1993 ingevoerd en later door het Verdrag van Amsterdam aangescherpt. De medebeslissingsprocedure betekende een aanzienlijke uitbreiding van de invloed van het Parlement, doordat de Raad en het Europees Parlement gelijkwaardige posities krijgen in de zin dat beide instellingen een voorstel moeten goedkeuren. De medebeslissingsprocedure geeft het Europees Parlement tevens de mogelijkheid om in een comité van overleg rechtstreeks overleg te voeren met de Raad wanneer men het niet eens kan worden over een voorstel.

Sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Nice wordt de medebeslissingsprocedure gebruikt op ongeveer 45 samenwerkingsterreinen. Over landbouw, visserij, handelsbeleid en indirecte belastingen en accijnzen wordt de wetgeving nog steeds vastgesteld volgens de raadplegingsprocedure.

De medebeslissingsprocedure is opgedeeld in drie stadia. Een voorstel kan in maximaal drie lezingen worden behandeld. Of de definitieve vaststelling in eerste of tweede lezing plaatsvindt, dan wel of het voorstel ook door een derde lezing moet gaan, hangt af van de mate waarin partijen tot onderhandelen bereid zijn. De drie stadia van de medebeslissingsprocedure verlopen als volgt:

Eerste lezing (geen termijn)

De Commissie dient een voorstel tot wetgeving in. Het Europees Parlement geeft zijn advies. Dit advies wordt aangenomen bij gewone meerderheid van stemmen (in tegenstelling tot de volstrekte meerderheid als genoemd bij de tweede lezing). Dit standpunt zal meestal ook de door het Parlement voorgestelde amendementen bevatten.

De Raad kan nu bij gekwalificeerde meerderheid van stemmen het voorstel aannemen en tot geldend recht maken, indien:

a. Raad en Parlement akkoord gaan met het voorstel van de Commissie in de vorm waarin het is ingediend;
b. de Raad alle amendementen van het Europees Parlement overneemt.

De Raad kan echter ook besluiten een gewijzigde tekst vast te stellen in de vorm van een zogeheten "gemeenschappelijk standpunt", indien de Raad van oordeel is dat het voorstel van de Commissie nog niet klaar is voor een besluit.

Het gemeenschappelijk standpunt wordt aan het Parlement meegedeeld, waarbij de Raad het Parlement een gedetailleerde uitleg geeft van de beweegredenen achter het gemeenschappelijk standpunt. Ook de Commissie dient rekenschap af te leggen van haar standpunt over een eventuele goedkeuring door de Raad.

Tweede lezing (termijn van 3 + 1 maanden)

In de tweede fase zijn er drie alternatieven:

  1. Het wetgevingsbesluit wordt geacht te zijn vastgesteld wanneer het Parlement bij gewone meerderheid van stemmen het gemeenschappelijk standpunt van de Raad in de voorgelegde vorm goedkeurt dan wel wanneer het Parlement geen advies kenbaar maakt.
  2. Het Parlement kan het gemeenschappelijk standpunt bij volstrekte meerderheid van stemmen afwijzen, die ten minste 369 van de 736 leden van het Parlement moet vertegenwoordigen.
  3. Het Parlement kan amendementen op het gemeenschappelijk standpunt aannemen bij volstrekte meerderheid. De door het Parlement voorgestelde amendementen worden aan de Raad voorgelegd, die nu met de tweede lezing kan aanvangen. De Commissie dient advies te geven over de amendementen van het Parlement. De Raad kan vervolgens binnen drie maanden na ontvangst van de amendementen van het Parlement het voorstel bij gekwalificeerde meerderheid van stemmen aannemen, mits alle amendementen van het Parlement aanvaardbaar zijn. Daarentegen is in de Raad unanimiteit vereist wanneer de Commissie een negatief advies over de door het Parlement ingediende amendementen uitbrengt.

Bemiddelingscomité

Wanneer de Raad niet akkoord wil gaan met alle door het Parlement voorgestelde amendementen, dient de voorzittende minister binnen zes weken (dan wel in samenspraak met de voorzitter van het Europees Parlement) een bemiddelingscomité te vormen, dat de impasse tussen de Raad en het Parlement moet trachten te doorbreken en een compromistekst moet opstellen. Dit bemiddelingscomité bestaat uit 27 vertegenwoordigers van de lidstaten, meestal de EU-ambassadeurs van de lidstaten en 27 leden van het Europees Parlement, plus de commissaris die voor het relevante werkterrein verantwoordelijk is.

Derde lezing (termijn 6 + 2 weken)

Het bemiddelingscomité dient vervolgens binnen zes weken overeenstemming te bereiken over een compromistekst die op de steun van zowel Raad als Parlement zal kunnen rekenen. Als het comité die overeenstemming inderdaad bereikt, hebben de Raad en het Europees Parlement zes weken om het wetsontwerp aan te nemen. De Raad van ministers besluit in het algemeen bij gekwalificeerde meerderheid van stemmen, terwijl het Europees Parlement het wetsontwerp bij meerderheid van de uitgebrachte stemmen moet goedkeuren.

Wanneer echter noch de Raad noch het Europees Parlement in staat zijn het wetsontwerp binnen de termijn van zes weken goed te keuren, wordt het voorstel automatisch verworpen.

De tijdslimieten van respectievelijk drie maanden en zes weken kunnen op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met een maximum van respectievelijk één maand, en twee weken worden verlengd.