Andere besluitvormingsprocecures
Er bestaat in de EU een aantal verschillende besluitvormingsprocedures, afhankelijk van het betrokken samenwerkingsterrein. Heel globaal genomen komt het beginsel van de Europese wetgevingsprocedure erop neer dat wetgeving totstandkomt doordat de Commissie voorstellen voor regelgeving opstelt; de wetten worden vervolgens ofwel gezamenlijk door de Raad en het Europees Parlement ofwel door de Raad alleen vastgesteld.
Het EU-Verdrag bevat meer dan 22 verschillende wetgevingsprocedures; de vier belangrijkste daarvan zijn:
- raadplegingsprocedure
- samenwerkingsprocedure
- medebeslissingsprocedure
- instemmingsprocedure.
De verschillen tussen deze procedures hebben voornamelijk te maken met de rol die het Europees Parlement in het wetgevingsproces vervult.
De raadplegingsprocedure is de klassieke besluitvormingsprocedure en is nog steeds van belang, hoewel ze al in 1958 werd ingevoerd toen het Verdrag van Rome werd aangenomen. Volgens de raadplegingsprocedure wordt het Europees Parlement geraadpleegd en heeft het de gelegenheid zijn standpunt over de voorstellen van de Commissie kenbaar te maken voordat de Raad een besluit neemt.
De samenwerkingsprocedure werd in 1987 ingevoerd door de Europese Akte en was destijds een doorbraak voor het Europees Parlement, dat nieuwe mogelijkheden kreeg om invloed uit te oefenen. Deze procedure is in feite een uitwerking van de raadplegingsprocedure, in de zin dat aan het standpunt van het Parlement een groter gewicht wordt toegekend. De samenwerkingsprocedure wordt momenteel nauwelijks nog gebruikt, omdat ze grotendeels vervangen is door de medebeslissingsprocedure. De samenwerkingsprocedure is nu beperkt tot bepaalde onderwerpen in verband met de EMU.
De instemmingsprocedure werd in 1987 bij de Europese Akte ingevoerd; het toepassingsgebied ervan werd bij het Verdrag van Maastricht uitgebreid met een aantal gevallen die men van de medebeslissingsprocedure wenste uit te zonderen, maar waar desondanks de behoefte bestond om aan het Europees Parlement een voorname rol toe te kennen. Het principe van de instemmingsprocedure is dat Raad en Parlement moeten instemmen met de vast te stellen tekst. De Raad mag een wetgevingsbesluit niet vaststellen zonder er een positief advies van het Europees Parlement over te hebben verkregen. Het Parlement kan voorstellen niet wijzigen, maar wanneer het een negatief advies uitbrengt mag de Raad het wetgevingsbesluit niet aannemen. Deze procedure wordt bijvoorbeeld gebruikt bij de toetreding van nieuwe lidstaten tot de EU.
De medebeslissingsprocedure is een van de belangrijkste procedures, waardoor Europese wetgeving een gezamenlijke aangelegenheid van het Europees Parlement en de Raad wordt. De medebeslissingsprocedure werd in 1993 bij het Verdrag van Maastricht ingevoerd.
Andere procedures
Naast de vier genoemde procedures bevat het Verdrag een groot aantal bepalingen over andere procedures. Dit kunnen uiterst gespecialiseerde procedures zijn, zoals de procedure voor de begrotingsvaststelling. Maar het kunnen ook zeer eenvoudige procedures zijn, waar de Raad formeel onafhankelijk is bij het nemen van besluiten. Dit geldt voor besluiten over het al dan niet aanvaarden van door een lidstaat gegeven overheidssteun ondanks het principiële verbod op overheidssteun dat in de EU geldt.














