Europarlementariërs
De leden van het Europees Parlement
De leden van het Europees Parlement zijn de volksvertegenwoordigers die de belangen behartigen van de bevolkingen van de 27 lidstaten van de Unie. Het Europees Parlement bestaat uit 754 afgevaardigden. De plaats van de leden in de halfronde vergaderzaal wordt niet bepaald door hun nationaliteit maar door de fractie waartoe ze behoren. Momenteel zijn er in het Europees Parlement zeven fracties, alsmede 30 zogenaamde "niet-ingeschreven" leden. De fracties komen voort uit meer dan honderd nationale politieke partijen.
Van Assemblée tot Parlement
Op 19 maart 1958 vergaderde de Assemblée, zoals het Europees Parlement toen nog heette, voor het eerst. Het had toen 142 leden. Vanaf het begin tot aan juni 1979 zaten in het Europees Parlement volksvertegenwoordigers uit de nationale parlementen van de lidstaten. Die hadden dan een dubbelmandaat, omdat ze zowel in het Europees Parlement als in het nationale parlement, zoals bij ons de Tweede Kamer, zaten. Zij worden sinds 1979 direct gekozen bij de Europese verkiezingen.
Nieuwe lidstaten
Door de jaren heen is het aantal leden van het Europees Parlement voortdurend toegenomen, omdat elke keer als nieuwe lidstaten toetraden tot de Europese Unie er ook ruimte moest komen voor parlementariërs uit die nieuwe lidstaten. Na de toetreding van Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk in 1973 bestond het EP uit 198 leden. Na de rechtstreekse verkiezingen van 1979 waren dat er 410. Bij de verkiezingen van 1984 traden 434 leden aan. In 1989 waren er 518 Europarlementariërs. Bij de verkiezingen in 1994 werden 567 leden gekozen. Na de toetreding in 1995 van Zweden, Finland en Oostenrijk telde het Europees Parlement 626 leden. Met de toetreding van tien Centraal- en Oost-Europese lidstaten op 1 mei 2004 kwam het aantal op 732 leden en sinds de toetreding van Bulgarije en Roemenië op 1 januari 2007 telde het Europees Parlement 785 leden. Na de verkiezingen van juni 2009 is dit aantal teruggebracht tot 736 Europarlementariërs. Tijdens de onderhandelingen over het Verdrag van Lissabon werd er afgesproken dat het Parlement 751 zetels zou krijgen. Er kwamen 18 zetels bij, verdeeld over 12 lidstaten. Nederland kreeg er 1 zetel bij. Duitsland gaf 3 zetels op, maar de 3 Duitse EP'ers zitten hun termijn uit.
Vrouwen in het Parlement
In 1979 telde het Europees Parlement 16% vrouwen. Dat percentage is in de opeenvolgende zittingsperiodes voortdurend gestegen en bedroeg op 1 januari 1996 26% en na de verkiezingen van 1999 30%. Tot eind 2006 was dat 30,3 %, ofwel 222 vrouwen op een totaal van 732 leden. Na de verkiezingen van juni 2009 bedraagt het aantal vrouwelijke leden 35%.















